Leesfragment:
maak kennis met Het IJzeren Veulen

De roman Het IJzeren Veulen is een historisch detectiveverhaal, waarin een cold case uit de zeventiende eeuw centraal staat.  Voor wie een indruk van de stijl en de inhoud wil krijgen: maak hier kennis met het verhaal. Dit leesfragment komt overeen met hoofdstuk 3 uit het boek.

 

De achterste Hellouwse molen staat vlakbij de plaats waar in 1676 een moord werd gepleegd (foto André Dorst).

Het moddergat

woensdag 28 juni 1676

De zon was nauwelijks op toen ze het veld introkken, Cornelis Verploegh met twee van zijn jongens en de oudste knecht. En David Bijl. Die had erop gestaan om mee te zoeken. Was het behulpzaamheid, was het nieuwsgierigheid?
De mannen hadden een wagen bij zich, een ladder, een schop, een bijl, een rol touw, een deken, een kruik brandewijn. Ze waren op alles voorbereid.
Een van de jongens reed vooruit, de anderen volgden langzamer. Twee mannen te paard namen de nieuwe steeg door het land die eindigde bij Gijsbert Nootbooms eendenkooi, de andere twee gingen met de wagen over de Zeek. Ze controleerden de bermen en de sloten. Er lag niemand. Ze vroegen aan de melkmeisjes of ze de vorige dag misschien een oudere man te paard gezien hadden. Maar de meisjes wisten van niets.
Ook in Gellicum, waar ze weer allemaal bij elkaar kwamen, kon niemand hen verder helpen. De man die ze zochten had in zijn herberg gezeten, zei de waard, maar hij was op tijd weer vertrokken. Een van de gasten dacht gezien te hebben dat hij naar het zuiden was gereden, naar huis.
Dus keerden de mannen om en begonnen aan de terugweg. Ze keken achter elke boom, in elke greppel.
De ochtend was al halverwege toen ze hem eindelijk vonden, in het moddergat, verborgen achter de struiken bij het IJzeren Veulen. Hij lag daar voorover, met zijn gezicht en schouders in het water. Zijn achterhoofd had een gapende wond, de zijkant van zijn gezicht zat onder het bloed. Zijn hemd en jas waren omhoog gestroopt, en er liep een spoor van geplette rietstengels en distels naar het gat – alsof hij naar het water gesleept was. Maar verder lag hij erbij alsof hij zich van geen gevaar bewust was geweest, het mes nog in de schede, de hand in de zak. Een eindje verderop lag zijn hoed in het gras, ondersteboven.
De mannen stonden eromheen, in een halve kring, ongemakkelijk met lege handen. Ze keken naar het lijk en naar elkaar. Ze zeiden het niet, maar ze zagen het meteen.
Dit was geen val van het paard, geen ongeluk.
‘We moeten hem hier weghalen’, zei David.
‘Nee’, zei Cornelis, ‘We moeten de schout halen’.
‘De schout’, zei David, ‘Dat kan toch niet. De schout is partij.’
Die woorden bleven loodzwaar in de lucht hangen. Er ging een onrustig gemompel door de kring. Ze wisten allemaal hoe vaak de schout zijn aartsvijand met de dood had bedreigd.
De knecht wendde zich af, schoof in de richting van zijn paard bij het hek. Zijn hele houding zei dat hij niet betrokken wilde raken in deze zaak vol voetangels en klemmen.
De anderen keken naar Cornelis.
Hij leek naar het dode lichaam te staren zonder iets te zien. Maar toen David hem aanstootte, toen hij de blikken van de anderen op zich gericht zag, kwam hij in actie.
‘Je pakt mijn paard’, zei hij tegen de oudste van zijn twee aanwezige zoons, ‘je rijdt naar schepen Roosa en je vertelt hem alles wat je gezien hebt. En je zegt dat hij naar het IJzeren Veulen moet komen. Onmiddellijk. Met de chirurgijn. En een van de andere schepenen. Ik blijf hier tot ze er zijn.’
Maar het nieuws ging de jongen op zijn paard vooruit – hoe dat mogelijk was, wist niemand.
Terwijl de schepenen zich klaarmaakten, wiekte het gerucht al op snelle vleugels door het dorp.
‘De secretaris is dood!’

#

omslag Het IJzeren VeulenDaar lag hij, in het watergat bij het IJzeren Veulen: Marten de Jongh, bijna zeventig jaar oud, grootgrondbezitter, dorpssecretaris, heemraad in de hoge dijkstoel, schepen in de hoge gerichtsbank, rentmeester van de Engelenburg, de ongekroonde koning van het dorp. Dood in de modder.
Het duurde meer dan een uur voor de twee schepenen van de hoge gerichtsbank er waren, samen met de chirurgijn. Het duurde tot halverwege de middag voor de dokter uit Bommel arriveerde, samen met de richter en de jongste zoon van de secretaris, Adriaan de Jongh.
Tegen die tijd was het druk geworden in de polder. Er kwamen steeds weer nieuwe mensen die op de weg bleven staan om te vragen wat er gebeurd was, terwijl ze tussen de struiken door een glimp van het lijk probeerden op te vangen. Voorbijgangers op weg van het ene dorp naar het andere. Opgeschoten jongens en meisjes die het nieuws gehoord hadden. Vrouwen en kinderen zelfs. Alsof ze niets beters te doen hadden.
Cornelis en David bleven op hun post en beschermden de plaats van de moord. De mensen mochten het gras niet plattrappen en zeker niet te dicht bij het lichaam komen. Ze hadden de wagen aan de kant van de weg gezet, dwars op het sleepspoor. De paarden stonden in de schaduw bij de vliet.
Het onderzoek duurde lang. De dokter en de chirurgijn bekeken de verwondingen van het slachtoffer, de schepenen maten alles secuur op. Een van hen maakte een schets van de situatie. De ander noteerde de feiten.
‘De secretaris is gevonden aan het eind van de Mert’, schreef hij, ‘in het gat dat in de Franse tijd gegraven werd, bij het IJzeren Veulen. Zijn hoed is tweeënhalve roede ten westen van het lichaam gevonden. Zijn linkerhand zat, naar gewoonte, in de linkerzak, zijn mes zat in de schede in de rechterzak.’ De interpretatie van die feiten gaf hij er meteen maar bij: ‘De overval moet zeer overhaast in zijn werk gegaan zijn.’
Het slachtoffer, dachten de dokter en de chirurgijn, moest eerst een slag tegen de slaap hebben gekregen. Daarna was hij waarschijnlijk geslagen en getrapt. Vervolgens moest zijn lichaam naar het water van het moddergat gesleept zijn – het sleepspoor was nog duidelijk te zien in het gras, het riet en de distels. En ten slotte was zijn hoofd daar, vermoedelijk met een polsstok of een ander instrument, onder water gehouden tot hij dood was.
Hij was dus niet doodgeslagen, hij was verdronken.
De dokter deelde die informatie op gedempte toon met de richter en de schepenen. Twee brutale jongens van een jaar of twaalf die met hun neus vooraan stonden, zo dichtbij als Cornelis toeliet, deden hun uiterste best om het te horen. Maar de dokter zag hen kijken en sprak nóg zachter dan hij al deed, zodat ze er niets van konden verstaan.
De schepenen wisselden bezorgde blikken.
Met doodslag hadden ze ervaring. Doodslag kwam af en toe voor. Meestal bij een gevecht tussen dronken dorpsgenoten, waarbij de messen tevoorschijn kwamen. Iedereen wist gelijk wie het gedaan had, al wilde niet iedereen dat ook officieel verklaren. Zwijgen en wegkijken was het parool, als je bij zo’n gevecht betrokken was geweest. Zelfs de schepenen vonden, diep in hun hart, dat de families van dader en slachtoffer zo’n kwestie het beste onderling konden regelen. Wat zou je er vreemde snoeshanen uit de stad bijhalen? Dat er één dode was, was al erg genoeg – waarom zou je twéé families in rouw willen dompelen door de doodslager aan te geven?
Maar zoiets als dit hadden ze niet eerder meegemaakt. Ze wisten niet wat ze ervan denken moesten. Dat iemand de secretaris eerst in elkaar had geslagen en hem woedend tegen het hoofd getrapt. En hem dan – terwijl hij geen verzet meer kon bieden – koelbloedig en doelbewust onder water had gehouden tot hij stikte.
Slaan en trappen, dat was tot daaraantoe. Dat viel natuurlijk niet goed te praten, maar het gebeurde de mannen van het dorp vaker. In drift en dronkenschap deed je soms dingen die je later betreurde, dat wisten de schepenen zélf ook.
Maar laaghartige moord met voorbedachten rade op een weerloos slachtoffer, in het diepste geheim? Wie had dat in zich?

#

De wagen die ze ’s ochtends meegenomen hadden, kwam van pas toen het onderzoek was afgerond.
De drie mannen die de secretaris het naast stonden, tilden het lijk op de wagen.
Cornelis Verploegh bedekte het met de deken.
David Bijl legde de hoed ernaast.
Een van de jongens Verploegh ging achter op de wagen zitten, naast het dode lichaam, om te zorgen dat er onderweg niets mee gebeurde.
Adriaan de Jongh klom zelf op de bok. Hij zou zijn vader naar huis rijden.

Koop Het IJzeren Veulen in de boekhandel of bestel het hier.

Meer achtergrondinformatie: kijk hier.